HOMENIEUWSBIOGRAFIEBIBLIOGRAFIEFRAGMENTENVERFILMINGENPERSCONTACTBESTELLEN
Fragment uit Paradiso
 
blz 7-8
Enkele minuten voor de afgesproken tijd parkeerde hij zijn auto in haar straat. Niet voor haar deur, maar een meter of twintig verder. De warme zon bescheen zijn nek en de zijkant van zijn gezicht. Buitenwijk in juli. De postbode deed zijn ronde in korte broek. Hij stapte uit en liep met toegeknepen ogen langs de rijtjeshuizen, opgetrokken uit gele baksteen, met zwarte dakpannen en kozijnen van kunststof. De ramen stonden overal wagenwijd open. In het opblaasbadje van haar buren dreef een strandbal.
Een maand of zes geleden had hij haar op deze plek afgezet, tijdens een ijskoude nacht zonder sterren. Met een hand aan de kraag van haar jas was ze naar haar deur gefladderd, als in een zwart-witfilm van Melville, een vrouw met een geheim in een verlaten straat. Hij keek haar na, voor het eerst oog in oog met haar wereld. Haar straat, haar huis, de auto van haar vriend de architect; de beelden waren even afschrikwekkend als aantrekkelijk. Zij ging naar binnen en hij reed langzaam in de stilte weg. Terugreis in februari, buitentemperatuur twee graden onder nul, de radio afgestemd op de nostalgiezender.
Waakzaam door de aanblik van de zwarte Saab duwde hij haar deur open, die als afgesproken op een kier stond. Hij stapte over de drempel en ging, langzaam, onwillig al bijna, op zoek naar haar. Bij de trap stonden een stuk of wat dozen, volgestouwd met cd’s en boeken. Het plafond was opvallend laag, waardoor hij onwillekeurig zijn hoofd boog. In de lijst van een ovale spiegel staken uitnodigingen en geboortekaartjes. Hij luisterde aandachtig, maar in heel het huis was geen zuchtje te horen. Hij droeg een linnen broek en opengewerkte instappers van zacht leer. Vanuit de hal kon hij de kleine woonkamer in kijken, met zicht op de leuning van een bank en een lage glazen tafel waarop verfrommelde servetten lagen. Hij zag wijnglazen met een donker bodempje, een schoteltje met olijfpitten. In het achtertuintje was een terras met een zitje van vergrijsd hardhout en een ligbed met een kussen en een tijdschrift erop. Dat tuintje kende hij als iets groots uit haar verhalen. In gedachten zag hij zijn eigen huis met de balkenplafonds en de verfijnde Italiaanse meubelen, de roodborstjes in de vensterbank. Zijn ramen boden uitzicht op de weilanden, de vaart en de rietkragen. Hij riep haar naam. Boven hem weerklonken voetstappen.
‘Mart?’ Ze zweeg, ze leek te wachten. Haar stem bezat niet alleen een plezierig, muzikaal geluid, maar meer, een belofte
waar hij niet buiten kon.


Lees een fragment uit:
 

  • Paradiso